Waarom een grensregio moet lobbyen in Den Haag

Waarom een grensregio moet lobbyen in Den Haag

9 mei 2022
Waarom een grensregio moet lobbyen in Den Haag

- ENGLISH BELOW -

Waarom een grensregio moet lobbyen in Den Haag

Afgelopen week konden we in De Limburger lezen dat de gemeente Maastricht in hoger beroep gaat tegen de uitspraak van een lokale rechter over het toepassen van de ToZo-uitkeringen aan grensondernemers die werken in Maastricht maar vaak net aan de andere kant van de grens wonen. Wij, als pan-Europese partij, komen pas net kijken in de politiek maar zien dat de misstappen in veel vroeger stadium worden gemaakt door onze grensregio. We lobbyen te weinig. Niet in Europa, maar in Den Haag.

Het Europees recht is vrij helder hierover: Europeanen krijgen hun sociale rechten in de lidstaat waar ze werken en hun sociale en fiscale heffingen moeten betalen. Dat is het uitgangspunt en dus ook de reden waarom veel grenswerkers de Nederlandse Corona-uitkering hadden verwacht te ontvangen. Juridisch ligt bijna alles altijd ingewikkelder dan het op eerste gezicht lijkt: er lijkt op landelijk niveau al iets verkeerd te gaan. De Nederlandse TOZO-regeling, die niet getoetst was op mogelijke grenseffecten voor de in Nederland werkende, zegt in deze situatie dat het van belang is waar je woont. Europese wetgeving wijkt daar vanaf. En dat terwijl dat omgedraaid, in Duitsland en België, niet het geval is met de grenswerkers die daar werken. Die weeffout zal in Den Haag hooguit als onhandig bestempeld worden. Maar voor een regio als Zuid-Limburg, dat voor maar zo’n 10% aan Nederland grenst en voor de rest aan Duitsland, Vlaanderen en Wallonië, heeft zo’n vergissing een grote impact op haar inwoners en economie.

Ergens is het wel begrijpelijk dat de gemeente dit doet. De juridische wereld van grensoverstijgende wetgeving is soms zodanig complex dat in hoger beroep gaan het snelst ervoor zorgt dat de weeffouten belicht worden en dat rechters de politiek kunnen uitleggen wie aan het kortste eind trekt (waarschijnlijk de landelijke politiek). Maar hoe begrijpelijk dat ook is, de grenswerker leeft nu in angst en onzekerheid. Voor Volt is het duidelijk dat het probleem niet op lokaal niveau ligt, maar op landelijk niveau. De politiek had dus al veel eerder aan de bel moeten trekken.

Europese grenssteden kunnen alleen economisch opbloeien dankzij, niet ondanks, hun grensligging: dankzij de logistieke, culturele, economische en sociale banden die zij hebben met het omringend buitenland. Dat onderscheidt grenssteden van andere steden. Ze zullen niet economisch opbloeien als constant wordt gesproken over de grensligging als een potentiële belemmering. Als het omringend buitenland alleen maar een obstakel vormt, dan is er geen reden om te investeren in de grensregio. Dan is het veel logischer om te investeren in de hoofdstedelijke regio, zover mogelijk van de grenzen af. Wil een stad als Maastricht tot bloei komen, dan kan dat alleen als landelijke wetgeving veel meer de belangen van de grensregio in acht neemt. De belangen van grenswerkers zijn ook de belangen van onze grensregio.

En juist daarom is het van groot belang dat wij, als Zuid-Limburgers, meer gaan lobbyen. In Den Haag. Want hoe paradoxaal het ook klinkt, een goed samenwerkende Euregio begint bij de landelijke politiek. De grensregio betaalt de prijs voor slechte grenspolitiek in Den Haag. Laten we daarom een nieuwe politiek afslag nemen als Zuid-Limburgse regio, samen met Heerlen en Sittard-Geleen, die duidelijk te horen is in de Haagse wandelgangen en daar wordt opgepakt. Niet door brandjes te blussen wanneer de grenswerker de dupe is van weeffouten. Maar door al in het begin de weeffouten in de Nederlandse grenspolitiek aan te pakken.

- ENGLISH -

Why our border region should lobby in The Hague

Last week we read in region newspaper De Limburger that the municipality of Maastricht is appealing against the decision of a local judge, who had declared that the Dutch COVID welfare (ToZo) should have also been available for those EU-citizens working in Maastricht but living on the other side of the border. We, as a pan-European party, are only just getting into politics, but see that the missteps are made at a much earlier stage in our border region. We lobby too little. Not in Europe, but in The Hague’s Dutch polity.

European law is quite clear about the current situation: Europeans get their social rights in the Member State where they work and where they have to pay their social and tax levies. That is the starting point and therefore also the reason why many frontier workers expected to receive the Dutch COVID benefit, named ToZo. Legally, such rights tend to be more complicated than it seems at first glance: something already seems to have gone wrong at a national level. The Dutch ToZo policy, which was not tested for possible border effects for those working in the Netherlands, says in this situation that it matters where you live. European legislation deviates from this. Note that this isn’t the case for cross-border workers in Germany and Belgium.

This legal flaw will at most be labeled as clumsy in The Hague. But for a region like Southern Limburg, which borders only about 10% to the Netherlands and the rest to Germany, Flanders and Wallonia, such a mistake has a major impact on its inhabitants and economy.

Somehow it is understandable that the municipality is appealing against the decision. The legal world of cross-border legislation is sometimes so complex that an appeal is the fastest way to expose the flaws and allow judges to explain to politicians who are on the wrong side of the discussion (probably national politics in this case). But as understandable as that is, the frontier workers now live in fear and uncertainty. For Volt it is clear that the problem is not at the local level, but at the national level. Politicians should have sounded the alarm much earlier.

European border cities can only prosper economically thanks to, not in spite of, their border location: thanks to the logistical, cultural, economic and social ties they have with the surrounding foreign countries. This distinguishes border cities from other cities. They will not economically prosper if their border is constantly considered to be a potential barrier. If the surrounding countries are only an obstacle, then there is no reason to invest in the border region. Then it makes much more sense to invest in the capital region and in regions as far away from the borders as possible. If a city like Maastricht wants to flourish, it can only do so if national legislation takes much more into account the interests of the border region. In that sense, the interests of border workers are synonymous to the interests of our border region.

And that is precisely why it is very important that we, as South Limburg inhabitants, should lobby more in The Hague. Because, as paradoxical as it may sound, a well-cooperating Euregion starts with national politics. The border region is paying the price for bad border policy in The Hague. Let us therefore take a new political turn as a South Limburg region, together with Maastricht, Heerlen and Sittard-Geleen, and raise a voice that can clearly be heard in the corridors of The Hague. This can only work if we do not limit ourselves to cleaning up short-term border problems and national errors in our region, but also tackle the flaws in Dutch border politics right from the start.